Een echtscheiding of beëindiging van een relatie kan er de oorzaak van zijn dat grootouders hun kleinkinderen niet meer mogen zien. Vaak wordt daarbij ook het contact tussen een broer of zus en een minderjarig kind verbroken. Regelmatig is sprake van een situatie waarbij één van de ouders het contact tussen kind en de andere ouder weigert. De andere familieleden worden tegen hun zin in betrokken bij het conflict tussen de ouders. Heeft de grootouder of een ander familielid in deze situatie een zelfstandig recht op omgang of contact met de minderjarige? In dit artikel leg ik uit wie in welke situatie het recht op omgang met het kind heeft aan de hand van een recente casus waarin de rechtbank vaststelt dat een jongmeerderjarige vrouw recht heeft op (onbegeleide) omgang met haar minderjarige halfbroer.

Nauwe en persoonlijke betrekking nodig

Het kind heeft het recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit staat in de wet en het internationaal kader is natuurlijk het recht op family life van zowel kind als het familielid.[1] Grootouders of andere familieleden hebben dus niet een recht op omgang met het kind op grond van hun familieband alleen, maar zij moeten in een juridische procedure allereerst met concrete omstandigheden aantonen dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. Pas dan zijn zij ontvankelijk in hun verzoek. Daarna volgt nog de inhoudelijke beoordeling of de gevraagde omgang kan worden toegewezen.

In de casus woonden twee ouders met hun minderjarig kind samen in een gezin met een (jong)meerderjarige dochter uit een eerder huwelijk van de man. Halfzus en broertje woonden dus samen maar daarnaast bracht en haalde de zus haar broertje vaak naar school, las zij hem voor en bracht hem als baby en peuter naar bed en zorgde zij voor het eten. Dit omdat beide ouders veel aan werk waren. De relatie tussen de ouders werd verbroken en de vrouw vertrok van de ene op de andere dag met het kind naar een onbekende bestemming. Omdat de vrouw de man beschuldigde van huiselijk geweld werd ieder contact tussen de vader en het kind maar ook het contact met zijn halfzus verbroken.

De rechtbank stelde onbestreden vast dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de zus en haar broer op grond van de gestelde omstandigheden over de inwoning en het intensieve verzorgende contact tussen hen. Voor een nauwe persoonlijke betrekking is dus meer nodig dan een gebruikelijk contact. Inwoning, regelmatige verzorging en opvoeding of bijvoorbeeld een intensieve oppasregeling kunnen relevant zijn, ook voor grootouders.

 

Uitgangspunt is dat omgang met familie in het belang van het kind is

Nadat is vastgesteld dat het kind in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het familielid, in dit geval zijn halfzus, ontzegt de rechter de omgang alleen in de volgende gevallen: als dit ernstig nadeel oplevert voor het kind. Als deze persoon daarvoor kennelijk ongeschikt is. Indien een kind dat 12 jaren of ouder is zelf ernstige bezwaren tegen de omgang heeft. Of tenslotte als het op andere wijze in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Dit zijn strenge en limitatief opgesomde redenen om de omgang niet toe te wijzen. Eén van de uitgangspunten van de wettelijke regeling is namelijk dat een kind er baat bij heeft om naast zijn ouders (hechte) banden te hebben met zijn naaste familie omdat dit bevorderlijk is voor de identiteitsontwikkeling van het kind. Vertrekpunt is dus dat omgang met familie in het belang van het kind is, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet het geval is.

In deze casus stelde de moeder vervolgens dat de omgang met de zus niet in het belang was van de minderjarige. Dit omdat de zus ongeschikt zou zijn en het gevaar bestond dat de vader bij de omgang zou aansluiten, Volgens de moeder moest hulpverlening eerst zorgen voor het herstel van het contact tussen de vader en de minderjarige. De rechtbank ging voorbij aan deze stellingen nu de nauwe persoonlijke betrekking tussen de zus en haar broertje duidelijk was. De zus had aantoonbaar veel voor hem gezorgd in het verleden. Verder was niet gebleken van contra-indicaties, zoals bemoeienis van de vader. Ook het argument van de moeder dat de omgang pas in het belang van de minderjarige was als en wanneer de omgang met de vader zelf weer zou zijn hervat, werd verworpen. Waarmee het zelfstandig recht van de halfzus op contact en omgang met haar broertje in dit geval werd bevestigd.

 

Tot slot

Omgang van de minderjarige met naasten of familieleden is dus uitgangspunt als er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Of dit recht vervolgens ook kan worden toegewezen zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. De jurisprudentie in deze zaken is zeer verschillend en vooral het criterium dat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, laat veel ruim voor individuele afweging.

 

[1] Het recht op family life is breder maar in dit artikel beperk ik mij vanwege de leesbaarheid tot familieleden.